

‘Wie ben ik, wat doe ik hier, wat is de zin van mijn bestaan?’
Dat waren vragen waar
ik mee rondliep in de tijd dat ik fysiotherapie studeerde in Amsterdam. Na lang zoeken
dacht ik het gevonden te hebben in het existentialisme.
Dit was een filosofische
en culturele beweging uit het midden van de twintigste eeuw die met name in Duitsland
en Frankrijk tot ontwikkeling kwam. Na de Tweede Wereldoorlog groeide het existentialisme
met name in Parijs uit tot een brede culturele beweging, die zich ook in diverse
kunstvormen (film, chanson) en in een levensstijl (zwarte kleding, rokerige keldercafés)
uitte.
Het existentialisme ontkent het bestaan van God en legt de nadruk op de menselijke
vrijheid. Door in volle vrijheid zijn eigen weg te kiezen vormt de mens uiteindelijk
zichzelf. In deze filosofie kwamen ook de meer duistere kanten van het leven naar
voren: melancholie, angst, crisis, catastrofe, dreiging en dood.
Jean-Paul Sartre, die wel de grootste vertegenwoordiger van het existentialisme genoemd
wordt, kwam tot de volgende conclusie: ‘Ieder mens leeft als een geïsoleerd individu
in een doelloos universum. Omdat we niet kunnen weten wie we zijn, waar we vandaan
komen, of waar we heengaan, en omdat we het verleden niet begrijpen en geen hoop
voor de toekomst hebben, is het enige wat belangrijk is, het leven nú in al zijn
hevigheid te beleven. Alleen datgene wat we op dit moment kunnen verwerkelijken is
van belang en heeft betekenis. Er ligt geen hoge bestemming voor ons. Daarom is het
opgeven van het heden ter wille van de toekomst onzinnig en dwaas.’
Het existentialisme
leidt uiteindelijk tot een atheïstische en pessimistische levensopvatting. Een atheïst
was ik al, ik ben opgegroeid in een niet-gelovig gezin, en een pessimist werd ik,
in mijn zoektocht naar de zin van het bestaan. Mijn fatalistische gevoelens bracht
ik in die tijd op de volgende wijze onder woorden:
‘Er is
de foet
in de moederschoot,
de
dood
in een kistje
en daartussen
het grote niets.
In mijn studietijd probeerde ik ‘het
leven nú in al zijn hevigheid te beleven’. Het resultaat was een voor de buitenwereld
‘leuk leven met drank en vrouwen’, maar van binnen was er een grote leegte in mijn
leven. Soms zwierf ik urenlang doelloos en hulpeloos door de straten van Amsterdam.
Ik was eenzaam en knokte met angst voor de dood. Na het behalen van mijn diploma
in 1978 (ik was toen 24 jaar) keerde ik terug naar mijn geboorteplaats Den Helder
en kreeg een baan als fysiotherapeut in het Geminiziekenhuis. Ik kocht een huis en
zette mijn ‘leuke leven met drank en vrouwen’ voort, maar van binnen bleef de enorme
leegte. Het leven leek zo zinloos. Door teleurstellingen in relaties wilde ik absoluut
nooit trouwen, maar ook niet samenwonen. Ik heb zelfs een moment rondgelopen met
de gedachte om mezelf te laten steriliseren, omdat ik niet het risico wilde lopen
een kind in deze zinloze wereld neer te zetten.
Begin 1979 kreeg ik een patiënte in behandeling die multiple sclerose had. Het was
een al oude vrouw en ze was gekluisterd aan een rolstoel. Op een dag vertelde ze
me over haar geloof in God en wat hij voor haar betekende. Ik regeerde tamelijk fel
en zei: ‘Ik geloof niet in God en heb ook geen enkele behoefte om er over te praten
en ik begrijp niet dat u gelooft in een God die u in een rolstoel heeft neergezet.
In zo’n God zou ik niet willen geloven.’
Na enkele maanden werd ze overgeplaatst
naar een verpleegtehuis. Bij het afscheid gaf ze me een cadeau wat ik pas thuis mocht
uitpakken. Het bleek een bijbel te zijn. Ik heb hem opengeslagen en een bladzijde
gelezen. Er kwam een soort boosheid in mij naar boven en met de woorden ‘wat een
onzin’ smeet ik de bijbel in de hoek van de kamer. Hij belandde precies naast de
boekenkast en daar bleef hij maandenlang op dezelfde plek liggen.
In juli ’79 werd ik hevig verliefd op een verpleegkundige. Het was ‘anders’ dan bij
andere verliefdheden die ik had meegemaakt. Het was van een heel andere dimensie.
Ik had het gevoel dat deze vrouw voor mij bestemd was en ik had de absurde gedachte
dat ik met haar zou trouwen en kinderen zou krijgen. Na een aantal weken kon ik eindelijk
contact met haar leggen en we maakten een afspraak om samen langs de dijk te wandelen.
Het was een mooie zomeravond en ik was smoorverliefd. Het was alsof ik in de wolken
liep. Op een bepaald moment stonden we stil en keken samen uit over de zee. Toen
zei ze: ‘Wat heeft God alles mooi geschapen hè?' Die woorden brachten mij met een
harde klap terug op aarde. Ik reageerde heel bot en zei: ‘Val dood, je gelooft toch
niet!’
‘Jazeker’, zei ze.
Ik wist niet wat ik hoorde en zei: ‘Geloven, dat is toch
iets voor oude mensen en dwazen?’
Ze glimlachte en zei: ‘Ik ben christen en geloof
in God.’
Er ontstond vervolgens een discussie waarin ik haar met allerlei argumenten
probeerde te overtuigen van het feit dat God toch echt niet bestond. Ze bleef heel
rustig en zei dat ze volkomen zeker was van het bestaan van God en dat ze dagelijks
met hem sprak. Ik wist niet wat ik hoorde!
We hebben drie weken lang bijna iedere
avond langs de dijk gewandeld. In die periode bracht ik mijn gevoelens voor haar
als volgt onder woorden:
Op dit moment
ben jij de bron
waaruit ik putten moet.
Ik verlang
niets van je,
alleen begrip en waardering
wat vaak heeft ontbroken.
Ik hoop dat je geen
angst
voor me krijgt.
Angst voor mijn liefde,
die ik ontegenzeggelijk voel.
Een pure
liefde, heel oprecht.
Soms wil ik je hand vatten
en soms je wang strelen,
maar ik ben
bang dat ik je niet behaag.
Ik wou dat ik liefde in je kon opwekken,
liefde voor mij.
Op
22 augustus hadden we ook afgesproken. Op een bepaald moment zaten we samen op een
pier aan het kabbelende water. Ik smoorverliefd, zij niet. Opeens keek ze me indringend
aan en zei: ‘Jan, God heeft in ieder mens een leegte geschapen. Die leegte kun je
proberen op te vullen met drank, vrouwen, sport, geld of carrière, maar die leegte
zal blijven. Die leegte kan maar op één manier worden opgevuld, door Jezus.’ Toen
kwam ze dichterbij en prikte ze met een vinger in mijn borst en zei: ‘Die Jezus heb
jij nodig!’ Ik reageerde fel, duwde haar vinger weg en zei: ‘Jij met je Jezus!’
Toen
ik haar die avond bij haar appartement afzette dacht ik, ‘dit was de laatste afspraak.’
Ik was nog steeds verliefd, maar moest niets van dat ‘Jezus-gedoe’ hebben.
Thuisgekomen ging ik onmiddellijk naar bed. Ik lag onrustig te woelen en knokte weer met gevoelens van eenzaamheid en angst. Rond een uur of elf stapte ik uit mijn bed. Normaal gesproken liep ik dan naar beneden, dronk een half flesje wijn op en ging de stad in om mijn leegte verder weg te drinken en eventueel een vrouw op te duiken. Maar deze keer bleef ik als aan de grond genageld staan. In mijn hoofd klonken de woorden ‘leegte in je leven’ en ‘die Jezus heb jij nodig’. Ik knielde neer en voor het eerst van mijn leven bad ik. Ik riep wanhopig uit: ‘Als er een God is, wilt u dan alstublieft bij me komen. Ik ben wanhopig en heb u nodig.’ En God kwam! Er gebeurde op dat moment iets in mijn hart. Er kwam een diepe rust en vrede in mijn binnenste. Ik liep naar beneden, niet richting keuken om een fles wijn te pakken, maar richting boekenkast. Ik pakte de bijbel, die daar nog steeds lag, en begon te lezen. Urenlang las ik met tranen in mijn ogen. Ik had de auteur van het boek ontmoet en het had mijn leven radicaal veranderd.
De volgende dag werd ik ongelofelijk blij wakker en dacht maar één ding: 'Ik moet
het vertellen aan Marijke', dat was de naam van de verpleegkundige waar ik verliefd
op was. Toen ik vlak bij de ingang van het ziekenhuis was, kwam ze aanlopen. Ik riep
haar en zei: 'Ik moet je wat vertellen, er is wat bijzonders met me gebeurd.'
‘O ja,
wat dan?’ vroeg ze.
Tja, wat moest ik zeggen? Ik had nog nooit van termen gehoord
als bekering, wedergeboorte of 'gereinigd door het bloed van Jezus'. Maar ik voelde
wel dat er iets heel bijzonders was gebeurd. Het was net of ik mijn leven opnieuw
mocht beginnen. Toen flapte ik eruit: 'Ik ben weer maagd'.
Marijke keek me verbaasd
en blij aan en zei: ‘Man, je bent bekeerd!’
Ik zei: ‘Nou, dat zal dan wel.’
En op
dat moment gebeurde er iets bijzonders. Marijke werd opeens smoorverliefd op mij!
We kregen een relatie en zijn ruim vier maanden later met elkaar getrouwd. We hebben
samen vier kinderen gekregen en inmiddels drie kleinkinderen!
Thuiskomen
Na mijn lange
zoektocht kwam ik eindelijk tot rust. Ik had het gevoel dat ik was thuisgekomen.
Het was heerlijk om te ontdekken dat er iemand was die onvoorwaardelijk van mij hield.
Die liefde is de bron van mijn leven geworden. En het is mijn verlangen geworden
om anderen bij dat liefdevolle hart van de Vader te brengen.
